Zacheus

Wie groot is zag mij altijd klein
en als ik geld vroeg voor de keizer,
vond geen in Jericho dat fijn,
want van hun geld werd ik zelf wijzer.

Omdat ik iedereen niet kon zien,
klom ‘k moedig in een vijgenboom,
om boven mensen uit misschien
te zoeken naar de Mensenzoon.

Ik schrok, want Hij stond bij mij stil,
vroeg vriendelijk: ben jij straks thuis?
Weet jij, Zacheus, wat ik wil?
Te gast zijn in jouw levenshuis!

De mensen stonden raar te kijken,
maar Jezus gaf mij kracht en moed.
Ik volg Hem nu en laat dat blijken,
zo deel ik van mijn overvloed.

‘k Mag Jezus kennen, dat is fijn,
Hij bracht verandering in mijn leven;
ook klein een kind van God te zijn.
Die rijke troost heeft Hij gegeven!

bij Lucas 19: 1 - 10 Kees Hoogendoorn - mei 2018

Andere gedichten

Als een licht op onze wegen